“Dans niet met de Serviërs, het is oorlog”
Gepubliceerd op 17 december 2011 in Het Parool
In de stad Mitrovica, in het Noorden van Kosovo, is de overkant altijd gevaarlijk.
MARCEL VAN DER STEEN
Een grote berg puin ligt aan het einde van de brug. Of aan het begin, het is maar aan welke kant van de rivier de Ibar je bent. Grote brokken beton, kiezels, een omgetrokken lantaarnpaal; sinds enkele maanden houdt een blokkade aan de noordzijde van de brug de twee bevolkingsgroepen uit elkaar.
Alleen een enkele voetganger waagt de oversteek, langs of over de barricade. In het noordelijk deel van Mitrovica wonen voornamelijk Serviërs, in het Zuiden de Albanezen. In het noorden wappert om de paar meter een Servische vlag, rood-blauw-wit, vaak met de witte adelaar. In het Zuiden zie je vooral de rode Albanese vlag met een zwarte adelaar. De slechts drie jaar oude Kosovaarse vlag zie je nergens.
Ze houden iedereen in de gaten, de mannen voor de grote militaire tent. Ze zien wie er de brug oversteekt en langs de grote berg puin klautert. Want dat kan, alleen doet bijna niemand het.
Het is zaterdagochtend, de mannen hangen tegen oude auto’s aan. Aan de groene tent hangt een spandoek: “Stop KFOR, EULEX”, als protest tegen de internationale troepen die de broze vrede in Kosovo moeten bewaren. EULEX is de afkorting voor de Europese politie- en justitiemissie in Kosovo, KFOR is de naam van de NAVO-troepenmacht die de vrede moet bewaken.
Afgelopen weken kwam het meerdere keren tot gewelddadige confrontaties met KFOR-militairen, vlakbij de noordelijke grensposten waar Kosovo na bijna vier jaar onafhankelijkheid zijn eigen douaniers wilde plaatsen. Dat was tegen het zere been van de Servische bevolking in het Noorden, die op verschillende plaatsen blokkades opwierp. Op billboards en vlaggen staat hun boodschap: Ovdje je Srbija, ‘Dit is Servië.’
Dat is ook de boodschap aan de noordkant van de brug in Mitrovica:
En het lijkt ook op een grensovergang. De grote berg puin, een lege brug met in het midden een Kosovaarse politiewagen. Aan de Zuidkant van de brug staan drie pantserwagens, Duits en Italiaans. De Servische demonstranten waarschuwen. Naar de overkant gaan is gevaarlijk, zeggen ze.
In het Albanese deel van de stad ligt het oude stadscentrum, met een brede wandelpromenade waar jongens en meisjes flaneren. Hier is weinig te merken van de strijd die de Serviërs verderop leveren. Hier geen barricades. Hier worden kastanjes gepoft, patat gebakken. Ruzhdi Ahmeti is Albanees, hij woont in het zuidelijk deel. Eigenlijk is hij acteur en muzikant, maar hij werkt nu als ambtenaar voor de gemeente. Hij wijst naar de overkant: “Kijk, daar staat het ziekenhuis waar mijn twee zonen zijn geboren en mijn moeder is gestorven. Nu kan ik daar niet meer komen. En daar staat mijn oude school. Al ruim tien jaar ben ik niet meer welkom in dat deel van mijn stad, van mijn land. Dat maakt me boos en verdrietig.” Gewoon over de brug lopen kan volgens hem niet, “dan moet je heel sterk zijn, of een beetje gek.”
Ook de 17-jarige Iptida woont in Zuid. Ze danst bij een lokaal ensemble dat regelmatig in het buitenland optreedt. Jongens en meiden tussen de 15 en 20 jaar dansen er traditioneel in een kring. Iptida danst niet met Serviërs. Dat kan niet, zegt ze: “Het is oorlog, dan dans je niet met elkaar.”
Officieel is het al jaren geen oorlog meer in Kosovo. Maar toch werd er gisteravond op het Servische gemeentehuis geschoten. Volgens de Serviërs kwamen de kogels van Zuid, Albanese kogels.
In de drukste club van het noordelijk deel dansen Servische jongeren ‘s avonds op turbofolk (traditionele muziek met een housebeat, vaak gezongen door schaarsgeklede dames) Sommige jongens dragen er t-shirts met nationale symbolen erop. Slobodan danst niet maar drinkt bier uit grote halve literblikken. Als hij proost met zijn vrienden slaan ze een kruis en kussen ze elkaar. Hij en zijn vriend willen de volgende dag graag poseren met wapens en maskers op. “Zodat de wereld weet dat we er klaar voor zijn.”
Tomislav Milivojevic moet er allemaal niks van hebben. Hij is Serviër, naar eigen zeggen de oudste taxichauffeur van Mitrovica, en woont nog steeds in het zuidelijke deel van de stad. Tijdens de oorlog werd zijn huis daar verwoest.
Volgens hem was het vroeger beter. “Toen Tito (de leider van communistisch Joegoslavië tot zijn overlijden in 1980) hier nog de baas was, leefden we allemaal samen. Niks aan de hand.” Uit zijn autoradio klinkt nostalgische muziek uit die tijd, ex-yu rock, mateloos populair in heel ex-Joegoslavië.
De Serviër rijdt langs een KFOR-checkpoint in Jajgnelica en langs Servische graven in Zubin Potok, opgesierd met grote vlaggen. Dichter bij de grens, valt Tomislav stil, de muziek gaat uit. Hij vindt het maar niks, al die militairen in het KFOR-kamp bij Brnjak. En bij de grenspost waar Servische demonstranten zich ophouden wil hij niet te lang blijven. “Die mannen hebben gedronken.” Zodra Tomislav terug kan rijden naar Mitrovica ontspant hij. Het raampje gaat open, hij steekt een sigaret aan, de radio gaat hard: “Dit is Bjelo Dugme, van Goran Bregovic, de beste band uit Sarajevo!”
In het zuidelijk deel van de stad drinkt Ruhzdi elke dag na zijn werk een kop thee in ijssalon Paja. Volgens hem ging het juist mis in de tijd van Tito. “Die dictator heeft ons verplicht samen te leven. We zijn dan misschien broers en zusters, maar dat bekekent toch niet dat je je hele leven in hetzelfde huis blijft? Juist als je ouder wordt, ben je zelfstandig en kun je het alleen.”
Tijdens de oorlog in 1999 verloor hij zijn beste vriend. Sindsdien haat hij de Serviërs aan de overkant. “Ik weet dat niet alle Serviërs gestoord zijn, maar toch, ik kan niet anders. Ze hebben m’n vriend vermoord.”
Ondertussen blijft in het noorden de brug gebarricadeerd. De Serviërs zullen niet op geven “totdat er een einde komt aan de ‘Albanese bezetting’”. Ze protesteren, want wapens hebben ze niet, zeggen ze.
Enkele weken geleden pakte de Servische politie Momcilo Arlov op, een Serviër die actief was voor verschillende NGO’s en als één van de weinigen in Mitrovica samenwerkte met Albanezen. Deze grote vent met armen vol tattoeages werd al snel het lievelingetje van de internationale gemeenschap. Hij werd gepakt in Zuid-Servië, in een auto vol wapens en munitie. Hij zit momenteel vast op verdenking van wapensmokkel.
Serviërs zien Kosovo als provincie (KADER)
Servië kreeg afgelopen weekend te horen dat het nog geen kandidaat-lid mag worden van de EU. Eerst moet de relatie met het nieuwe buurland Kosovo verbeterd worden. En dat is ingewikkeld.
In 2008 riep Kosovo de onafhankelijkheid uit, gesteund door de VS en een groot aantal Europese landen, waaronder Nederland. Servië erkent Kosovo niet als zelfstandige staat, maar ziet het kleine landje nog steeds als Servische provincie. Sterker nog, Kosovo wordt door veel Serviërs gezien als de bakermat van de Servische cultuur. In het noordelijk deel van Kosovo wonen voornamelijk Serviërs. Mitrovica ligt op de grens van noord- en zuid-Kosovo.